over planvorming en effectstudies

Tips en jurisprudentie voor de m.e.r.-praktijk
Geke Kiers

vrij 20 maart 2020
artikel

'Als de m.e.r.-beoordelingsprocedure niet correct is doorlopen, dan kan dit leiden tot fatale rechtsgevolgen', waarschuwde advocaat Marcel Soppe op de IenW m.e.r.-dag. Bruikbare juridische tips en actuele uitspraken passeerden de revue. Waar moet u zoal op letten in de planvormings- en m.e.r.-praktijk?

Op 31 oktober 2019 vond de tweejaarlijkse IenW m.e.r.-dag plaats in de Prodentfabriek in Amersfoort. Deze dag is altijd een bron van inspiratie voor iedereen die betrokken is bij planvorming en milieueffectrapportage (m.e.r.). Toets-online publiceert een serie korte artikelen met kennis en ervaringen uit de werksessies. Prangende thema's rondom onder andere de Omgevingswet, PAS-perikelen, participatie en klimaatadaptatie komen daarmee nog in compacte vorm aan u voorbij. Dit artikel gaat in op de behandelde jurisprudentie.

Plan-m.e.r.-plicht

Marcel Soppe

Anders dan in de huidige m.e.r.-regelgeving kunnen algemeen verbindende voorschriften in de Omgevingswet straks wel plan-m.e.r.-plichtig zijn vanwege het open stelsel voor kaderstellende plannen, zo legde Marcel Soppe uit. ‘Naar Nederlands recht is er geen plan-m.e.r.-plicht voor kaderstellende plannen, zoals provinciale omgevingsverordeningen e.d. waarin concrete locaties of gebieden worden aangewezen voor ontwikkelingen, zoals woningbouw of windturbines. Dat is het geval nu deze verordeningen niet zijn genoemd in kolom 3 van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.’. Dit gesloten stelsel van kaderstellende plannen is dus niet langer juridisch houdbaar blijkt zowel uit Europese als nationale jurisprudentie. Zie HvJEU 27 oktober 2016, ECLI:EU:C:2016:816 (D'Oultremont), HvJEU 7 juni 2018, C-671/16, ECLI:EU:C:2018:403 (Inter-Environnement Bruxelles), HvJ EU 7 juni 2018, C-160/17, ECLI:EU:C:2018:401 (Thybaut), ABRvS 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1064 (Windlocatie Battenoord), ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1258 (Buitengebied Windmolenpark Hattemerbroek), ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1781 (Windpark N33) en ABRvS 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3322 (Windpark Weert).

Vernietiging beoordelingsplichtig besluit

Door de wijziging van het Besluit m.e.r. van 7 juli 2017 is de vormvrije m.e.r.-beoordeling niet langer vormvrij. Dit betekent dat ook bij zo’n m.e.r.-beoordeling tijdig een expliciet m.e.r.-beoordelingsbesluit moet zijn genomen. Deze verplichting geldt ook voor die bestemmingsplannen waarvan het ontwerp vóór 7 juli 2017 ter inzage is gelegd en het bestemmingsplan na 7 juli 2017 is vastgesteld. Zie bijvoorbeeld ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131 (Broek Zuid).

Uit ABRvS 9 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2298 (De Nieuwe Wielewaal) volgt, dat bij het ontbreken van een expliciet m.e.r.-beoordelingsbesluit het m.e.r.-beoordelingsplichtige besluit via vereenvoudigde afdoening vernietigd kan worden. Dat houdt in dat de zaak zonder zitting wordt afgedaan en de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt vernietigd. Zo’n afdoening is aan de orde, als niet tijdig een m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen en ook hangende het beroep niet alsnog een m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt genomen en aan de Afdeling bestuursrechtspraak wordt overgelegd, terwijl tegen de vormvrije m.e.r.-beoordeling wel een beroepsgrond is ingediend.

Als geen – of niet tijdig - een m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen, maar uiteindelijk wel een m.e.r.-beoordeling is gedaan (bijvoorbeeld in de toelichting van een bestemmingsplan), dan kan het gebrek in beroep (met toepassing van art. 6:22 Awb) worden gepasseerd. Dat kan alleen als appellanten geen inhoudelijke beroepsgrond tegen de m.e.r.-beoordeling hebben gericht en er geen belanghebbende door het gebrek wordt benadeeld. Zie ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131 (Broek Zuid), 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1105 (De zeven dorpelingen), 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1470 (Uitvaartfaciliteit Hoendiep) en 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1513 (Reconstructie N34 aansluiting Klijndijk).

Wanneer hangende de beroepsprocedure alsnog een expliciet m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt genomen en overgelegd en is dit besluit c.q. is de verrichte m.e.r.-beoordeling inhoudelijk juist, dan zal de Afdeling bestuursrechtspraak de rechtsgevolgen in stand laten. Zo is inmiddels duidelijk geworden uit ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4327 (Noortveer) en ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283 (Hornbach).

Voor de m.e.r.-praktijk relevante thema's

Een onderwerp dat voor de m.e.r.-praktijk relevant blijft, is de vraag wat in m.e.r.-verband ‘redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven’ zijn. De omstandigheden zijn hiervoor bepalend. Het gaat dan om factoren, zoals de doelstelling van het project en of eerder in m.e.r.-verband óf in een trechteringsnotitie alternatieven zijn afgewogen, of over het kostenaspect. Dit blijven relevante factoren voor de afbakening van het alternatievenonderzoek.

Verder wees Marcel op andere thema’s die voor de m.e.r.-praktijk van toepassing zijn, zoals:

- samenhang en voorzienbaarheid van activiteiten: wanneer hangen activiteiten dermate met elkaar samen en zijn zij te voorzien, zodat zij voor de toepassing van de m.e.r.-regelgeving als één activiteit moeten worden beschouwd;
- de definitie van een stedelijk ontwikkelingsproject: niet ieder project heeft te gelden als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie D 11.2, dit hangt af van de aard en omvang van het project; veel jurisprudentie is hierover in het afgelopen jaar verschenen;
- de ABRvS-uitspraak van 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770 (Staphorst), inhoudende dat een tijdelijk zonnepark met circa 22.500 zonnepanelen van 4,3 ha omvang geen stedelijk ontwikkelingsproject is in de zin van categorie D 11.2, geen industriële installatie is voor het opwekken van energie, stroom en water in de zin van categorie D 22.1 en geen landinrichtingsproject is in de zin van categorie D 9.

Referentiesituatie

Ondertussen tekent zich al enigszins af hoe de rechterlijke toetsing over de referentiesituatie zal zijn onder vigeur van de Omgevingswet. Zo oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak in haar uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4198 (Windpark Zeewolde), dat bij het bepalen van de MER-referentiesituatie voor een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte (oftewel een soort omgevingsplan, in dit geval Oosterwold) als autonome situatie mag worden uitgegaan van de ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Dit houdt in dat dan niet hoeft te worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan Oosterwold.
Voor alle besproken onderwerpen geldt dat juridische ontwikkelingen snel gaan en daarom snel ingehaald worden door nieuwe jurisprudentie. Marcel Soppe drukte deelnemers op het hart om de jurisprudentie doorlopend te volgen.

Werksessie Lessen uit de jurisprudentie voor de m.e.r.-praktijk
Meer informatie: Marcel Soppe tel. 06 53 26 84 14

 

Reacties

xMet het invullen van dit formulier geef je Toets en relaties toestemming om je informatie toe te sturen over zijn producten, dienstverlening en gerelateerde zaken. Akkoord

Copyright 2020 Aeneas Media

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren