Kennisplatform over milieueffectrapportage

Landschap revisited: een poging tot verrijking
Diederik Bel

do 6 april 2017
artikel

In een artikel op Toets-online van 18 juli 2016 gaan de Snoo, van der Grift & Smal (Landschap in MER: integraal of thematisch) in op het advies aan de Commissie voor de m.e.r. van Eric Luiten in zijn hoedanigheid (2014) als Rijksadviseur voor Landschap en Water (CRA). Ik bespeur hierin alom tevredenheid. Hoewel ik ook veel positieve aspecten zie in het advies, beantwoordt het echter nauwelijks de meest prangende vraag. Die ging er namelijk over dat ‘de beschrijving van effecten op landschap sterk wisselt per milieueffectrapport en vaak willekeurig en subjectief is’. Ik had de moed eigenlijk al laten varen, maar wil toch nog een maal een pleidooi houden voor een betere m.e.r.-praktijk voor landschap.

Gebruik een betere terminologie

Zoals dat gaat; in een ‘lead’ overdrijf je de stelling een beetje. Een klein deel van het briefadvies van Luiten gaat namelijk wel degelijk in op de hamvraag, te weten het onderdeel dat gaat over ‘gebruik een betere terminologie’. Daarin gaat Luiten in op de te gebruiken terminologie bij het analyseren, diagnosticeren en ambiëren.

Voor de landschapsanalyse beveelt Luiten aan de ‘lagenbenadering’ te gebruiken. Dit werd ook bepleit door Marinus Kooiman (Beek & Kooiman Cultuurhistorie) op het, door Witteveen+Bos en de Commissie voor de m.e.r. georganiseerde, congres over ‘Landschap in m.e.r.’ in maart 2013. In de lagenbenadering zit aldus Luiten de aardkundige laag (ondergrond), de civieltechnische laag (netwerken) en de grondgebruikslaag (occupatie). Lagen met een toenemende veranderingssnelheid.

Gaat het om de diagnose van de kwaliteiten van het landschap, dan verwijst Luiten naar de samenhang tussen de dimensies doelmatigheid (gebruikswaarde), houdbaarheid (toekomstwaarde) en oogstrelendheid (belevingswaarde). Voor het formuleren van de ambitie adviseert Luiten gebruik te maken van de samenhang tussen punten, lijnen en vlakken, waarmee iedere landschappelijke compositie valt te beschrijven.

Figuur 1. Lagenbenadering (Ruimtemettoekomst, www.ruimteexmilieu.nl)

Planningstraditie

De landschapsanalyse met de lagenbenadering geeft informatie over de transformatiesnelheid van de ruimte en de verdeling van verantwoordelijkheid. Maar hoe je die drie lagen moet operationaliseren, daarop gaat Luiten niet in. Jammer, want de lagenbenadering wordt al best veel gebruikt in milieueffectrapporten. Maar dat gebruik heeft toch de willekeur en subjectiviteit niet kunnen voorkomen, die er blijkens de vraag van de Commissie voor de m.e.r. is. Bovendien is de lagenbenadering een concept uit de planningspraktijk en zijn we in een MER meer op zoek naar een analyse- en beoordelingsinstrument.

Ook de aanbevolen definitie voor ruimtelijke kwaliteit, te weten “een optelsom van verschillende kenmerken die de hoedanigheid van een gebied of een plek bepalen, vaak uitgedrukt in de driedeling gebruikswaarde, belevingswaarde, toekomstwaarde”, wordt al veelvuldig in de MER-praktijk toegepast. Daarbij wordt vaak de ‘matrix ruimtelijke kwaliteit’ ingezet, waarbij de drie begrippen worden gekruist met het economisch, sociaal, ecologisch en cultureel belang. Maar ook hiervoor geldt dat dit in de praktijk niet leidt tot eenheid en objectieve informatie. Dat komt omdat de begrippen ook in dit geval niet operationeel zijn gemaakt, al doet de matrix daartoe wel een poging (zie o.a. www.werkpartners.net). Hoe kun je beleving, laat staan oogstrelendheid, objectief weergeven?

Probleem is verder dat deze begrippen wederom voortkomen uit de ruimtelijke planning. In de Nota Ruimtelijke Ordening uit 1988 staat: 'Het ruimtelijk beleid is er op gericht de gebruikswaarde van een gebied te vermeerderen, de belevingswaarde te verhogen en de toekomstwaarde te vergroten. De concrete invulling van die ruimtelijke kwaliteit zal daarbij van geval tot geval verschillen’ (Ministerie van VROM, 1988). De drie waarden zijn natuurlijk ook niet geheel nieuw. De Romeinse bouwmeester Vitruvius gebruikte rond 60 voor Christus de termen Utilitas (doelmatigheid), Venustas (uiterlijk schoon) en Firmitas (duurzaamheid) om de kwaliteit van bouwwerken te omschrijven. Dus intrinsiek duurzaam is dit begrippenkader zeker.

En als laatste: - een waarheid als een koe - met de volgende heilige drie-eenheid, die van punten, lijnen en vlakken, kan inderdaad bijna iedere compositie wel worden beschreven. Op de middelbare school hebben de meesten van ons daarmee, via de ruimtemeetkunde, kennis mee gemaakt. Discrete objecten (landschapselementen) worden herleid tot punten, lijnen en vlakken. Punten geven oriëntatie aan een plan of gebied. Lijnen geven juist structuur, in de vorm van zichtlijnen, routes en dergelijke. Vlakken zijn dan de grotere eenheden van hetzelfde element (bebouwingsvlak, een park, etc.). Ook hier betreft het dus vooral ontwerptaal. De ambitie gaat natuurlijk ook over het ontwerpen van een nieuwe landschappelijke compositie, gegeven de ingreep of voorgenomen activiteit. Maar het gaat in een MER natuurlijk veel meer om de waardering van die compositie. Immers alleen dan kan de omvang van het effect worden bepaald.

Mijn analyse is dat er rond het thema landschap, dat wordt gedomineerd door landschapsarchitecten, verwarring heerst tussen een op ontwerp gerichte meerderheid versus een minderheid vanuit de milieukundige c.q. geografische invalshoek, die toeziet op dosis-effect-relaties en op de wetenschap dat de omvang van een effect zowel wordt bepaald door de omvang van de ingreep (dosis) als de waarde van de uitgangssituatie (in casu het landschap). Juist op de objectieve en methodisch correcte waardebepaling loopt het veelal stuk. Een ander verschil is dat de ontwerper er a priori van uitgaat dat de voorgenomen activiteit er op de plek komt en verzint daarvoor een plan, terwijl de milieukundige kijkt of het plan per saldo wel voldoende waarde voor het gebied realiseert (zowel positieve als negatieve waarde).

Landschap als milieuthema

De Snoo, van der Grift & Smal adresseren dit punt eigenlijk ook al door voor een én-én benadering te pleiten. Dus landschap als belangrijk aspect van de ruimtelijke diagnose en ambitie, én als separaat milieuthema. Echter, hoe dan invulling te geven aan dit milieuthema, blijft in deze bijdrage onbeantwoord.

Omdat Eric Luiten een wijze man is, ga ik een poging wagen zijn inzichten te verrijken, met wat kennis uit de milieukunde en/of geografie.

Lagenbenadering

De laag van de ondergrond is feitelijk het wetenschappelijke domein van de fysische geografie. Dat perspectief biedt daarmee direct goede mogelijkheden om bij de beschrijving en waardering aan te sluiten bij de fysisch geografische landschapstypes. Het compendium voor de Leefomgeving heeft de Nederlandse landschappen op grond van verschillende eigenschappen van de ondergrond, op basis van de natuurlijke ontstaansgeschiedenis, onderverdeeld in negen landschapstypen.

Figuur 2. Landschapstypen

Landschappen kunnen op grond van verschillende eigenschappen worden onderverdeeld in verschillende landschapstypen. Een landschapstype is een ruimtelijk eenheid waar de fysische gesteldheid (reliëf, bodem en water), de ontginningsgeschiedenis en/of de kenmerkende ruimtelijke rangschikking van landschapselementen gelijk is. Dergelijke eigenschappen dragen in sterke mate bij aan de identiteit en aantrekkelijkheid van het landschap. De gehanteerde indeling is gemaakt op basis van fysisch-geografische eigenschappen. Dit is een vrij grove indeling. Berendsen (o.a. 2005 [1]) heeft een meer verfijnde indeling en die zou ik dan ook willen aanbevelen.

Met behulp van de ontginningsgeschiedenis, ofwel de occupatielaag, kan een verdere verfijning worden aangebracht, gebaseerd op historisch-landschappelijke informatie en een onderscheid tussen natuur- en cultuurlandschappen (zie, o.a. Barends, 2010 [2]). Wel moet hier worden gewaakt voor een overlap met het aspect ‘historisch geografie’ onderdeel van het thema cultuurhistorie.

Relatie met occupatielaag

Feitelijk bestaat de occupatielaag uit de gebruikspatronen die voortkomen uit het menselijk gebruik van de ondergrond en de netwerken. Bij de planning van de occupatielaag moet rekening worden gehouden met de eigenschappen en functies van de ondergrond en de netwerken, en de eisen die deze lagen stellen aan het ruimtegebruik. Gebieden met een vergelijkbaar gebruikspatroon vormen een gebiedstype, denk aan stedelijke gebied, cultuurlandschap, natuurlandschap.

De civieltechnisch of netwerklaag, is veelal goed afzonderlijk herkenbaar en wordt vaak gezien (zeker verkeer- en energienetwerken) als een laag die de waarde van de hiervoor beschreven ondergrond en occupatielaag vermindert.

Figuur 3.

De elementen die de waarde van de fysisch-geografische en cultuurlandschappen bepalen, zijn algemeen bekend en beschreven in de literatuur. Vindt er een ingreep plaats die juist die fysieke elementen aantast (en daarmee veelal ook de inhoudelijke en beleefde kwaliteiten beïnvloed), dan is er sprake van een (sterk) negatief effect. Hier kan de methode zoals door Bel & Soepboer in 2011 (Toets 2011/01) beschreven, helpen om de waarde objectief te beschrijven en waarderen (zie voorbeeld tabel 1).

Tabel 1. Waarderingscriteria landschapsstructuur en ruimtelijk-visuele kenmerken volgens Bel & Soepboer, 2011.

Uitgangspunt

Waarderingscriteria

Parameters

Beleefde kwaliteit

Zichtbaarheid

 

  • afwisselendheid (diversiteit aan elementen)
  • zichtbaarheid (beeld bepalende) landschapselementen en patronen
  • relatie met omgeving (passendheid)

 

Herkenbaarheid

(identiteit)

  • mate waarin structuren herkenbaar zijn
  • mate waarin ruimtelijk-visuele kenmerken herkenbaar zijn
  • aanwezigheid kenmerkende landschapselementen en -patronen (bepalend voor identiteit van een landschapstype: beelddragers)

Fysieke kwaliteit

Gaafheid

  • mate waarin structuren en ruimtelijk-visuele kenmerken in tact zijn
  • mate waarin oorspronkelijk karakter behouden is (authenticiteit)

 

Geconserveerdheid

  • mate waarin landschapselementen en patronen in evenwicht verkeren met de abiotische omgeving

Inhoudelijke kwaliteit

Zeldzaamheid

  • het aantal vergelijkbare landschapstypen c.q. patronen, lijnen, elementen van goede fysieke kwaliteit binnen dezelfde regio [3]
 

Informativiteit

(informatiewaarde)

  • betekenis voor de wetenschap
  • informatie over de natuurlijke of cultuurtechnische genese [4]

 

Samenhangendheid

(oriëntatie)

  • samenhang tussen waarneembare elementen en patronen
  • samenhang tussen vorm en functie
  • samenhang tussen ruimtelijk-visuele kenmerken (zoals openheid of beslotenheid en zichtrelaties) (oriëntatie)

 

Representativiteit

  • kenmerkendheid voor / verbonden aan een bepaald gebied

 

Ruimtelijke kwaliteit 

Ook de termen die de ruimtelijke kwaliteit bepalen, zijn nader operationeel te maken:

-              gebruikswaarde: doelmatigheid en functionele samenhang;

-              belevingswaarde: diversiteit, identiteit en schoonheid (esthetica);

-              toekomstwaarde: duurzaamheid, aanpasbaarheid en beheerbaarheid.

Deze meer operationele begrippen bieden al wat meer handvatten om een dosis-effect relatie op los te laten. Kunsthistorici en medici hebben mij zelfs doen inzien dat een begrip als schoonheid, via de esthetica, heel goed is te objectiveren (zie onder meer Richard Jacobs: "Aesthetics by Numbers”, 2011 [5]). Feitelijk voegt dit deels - immers beleving overlapt - een nieuwe (4e) dimensie toe aan de drie kwaliteiten (beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit) in de waarderingssystematiek van Bel & Soepboer, 2011. Dus hier verrijkt Luiten deze methodiek.

Ambitie

Bij de ambitie gaat om de kwaliteiten van het nieuw te vormen landschap. Eigenlijk is dat heel goed, de tragiek van m.e.r. is immers dat het naar de aard erg conserverend is, gericht op behoud van wat er is. Maar een maatschappij is dynamisch en vraagt dus om dynamiek, geen stilstand.

Luiten geeft hier aan het landschap te ontleden via de begrippen vlakken, lijnen en punten [6]. Dat gaat inderdaad prima, maar deze zijn wel erg tweedimensionaal. Het gaat pas leven als je het landschap als een maquette of kijkdoos kunt bekijken of tegenwoordig als 3D-visualisatie. Het lijkt dus zinvol hier 3D-begrippen als openheid/beslotenheid en zichtbaarheid aan toe te voegen. Tezamen kunnen deze 2D- en 3D-begrippen het karakter van een landschap in visuele, beleefbare en ordenende termen uitstekend vatten. Virtual Reality (VR) en 3D-visualisaties helpen hier geweldig bij. Overigens hebben de begrippen op zich geen richting, open is niet per se goed of slecht. Deze krijgen pas lading als de openheid een karaktertrek is van bijvoorbeeld het laagveengebied (bijvoorbeeld de cope-ontginningen in West-Nederland) of een zichtlijn op een kerktoren zorgt voor oriëntatie in een gebied.

Synthese

De door Luiten aangedragen begrippen uit de planningstraditie dragen bij aan een objectieve analyse van het bestaande landschap en het nieuw te creëren landschap. Het meer milieukundige kader van Bel & Soepboer sluit hier eenvoudig op aan en draagt bij aan het toekennen van een objectieve waardering van het landschap. Het een verrijkt zo het ander.

Kortom…

Het advies van Eric Luiten leek mij aan de oppervlakte de plank mis te slaan, maar zit stiekem toch wel goed in elkaar. Ik vraag mij echter af of die diepere lagen wel door een ieder worden doorgrond. In deze bijdrage heb ik geprobeerd deze bloot te leggen en te verbinden met de milieukunde. Zo kan landschap enerzijds inspireren om de ambitie van plannen te verhogen en anderzijds helpen objectieve waarden toe te kennen aan landschappen. Beiden zijn nodig om tot een goede effectbeoordeling te komen.

Op de website van de Commissie voor de m.e.r. lees ik overigens als reactie op het advies van Luiten: “De eerste pilot staat in de startblokken. Op basis van deze pilots stelt de Commissie m.e.r. een praktische handreiking op voor landschap in m.e.r. bestemd voor gemeenten, provincies, Rijk en adviesbureaus. De bedoeling is om deze handleiding dit najaar (red: 2014) gereed te hebben.” En “De ervaringen die de Commissie met de pilot opdoet, worden verwerkt in praktische kennisproducten later dit jaar.” Ik ben alleen een vernieuwde factsheet tegengekomen, dus ik ben benieuwd naar wat nog volgt…

Noten

[1] H.J.A. Berendsen, 2005. Landschappelijk Nederland: de fysisch-geografische regio's.

[2] Barends, S. (red.) (2010). Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Matrijs. Utrecht. 10e geheel herziende druk.

[3] Het begrip regio kan afhankelijk gesteld worden van het detailniveau van het onderhavige besluit (landelijk, regionaal of lokaal).

[4] Nb. Dit aspect wordt feitelijk meegenomen onder historische geografie en fysische geografie. De natuurlijke en cultuurhistorische geschiedenis is afleesbaar aan bijvoorbeeld bodemkenmerken, terreinvormen, ontginningspatronen, bouwwerken en levensgemeenschappen.

[5] Immanuel Kant (1724-1804) en, eerder al, Alexander Baumgarten (1714 - 1762) ontwikkelden de theorie van esthetica.

[6] Feitelijk mist hier de ‘vector’, die veranderingen in de tijd vertegenwoordigt, welke als relicten in het landschap zijn terug te vinden.

Diederik Bel

Diederik Bel studeerde fysische geografie en geeft leiding aan de sector Gebouwde omgeving bij Witteveen+Bos. Diederik is regelmatig werkgroeplid bij de commissie voor de m.e.r. op het gebied van landschap en erfgoed.

Reacties

Marianne de Snoo - Ingenieursbureau gemeente Rotterdam 10 augustus 2017 12:00

Dag Diederik, Je blijft op zoek naar een vast vocabulaire of een vaste aanpak. Dat is ook de aard van je kritiek op ons artikel: dat we niet zeggen hóe invulling te geven aan landschap als milieuthema. Waar wij echter voor pleitten in ons artikel is dat 1) er een navolgbaar verhaal is tussen beleid, projectambities en toetsingskader en 2) het toetsingskader (en dus de terminologie) aansluit op de plek en de ingreep. Wat ons betreft betekent dat dat je juist geen vast vocabulaire hebt, maar dat dat elke keer anders kan zijn. Wél kan ik me voorstellen dat je een soort checklist hebt om na te gaan of je niets vergeet. Dat kan zijn punten-lijnen-vlakken (of elementen-structuren-patronen, wat ik zelf veel bruikbaarder vind omdat dat al sneller een verhaal met een betekenis is) of iets met lagen. Maar de woordkeuze die je uiteindelijk gebruikt om de effecten te beschrijven is per MER specifiek. En dat vergt gewoon een goeie landschapsarchitect die ook helder kan schrijven (zolang we nog rapporten maken: https://www.toets-online.nl/digitale-mer-van-verplichting-naar-interactief-hulpmiddel). Ik denk dat we hierover van inzicht blijven verschillen. Uiteindelijk denk ik dat beide benaderingen kunnen, die van jou is meer wetenschappelijk, generiek en precies, die van ons is pragmatischer, projectspecifiek en (vinden wij) duidelijker voor de lezer. De uitkomst in termen van effectbeoordeling zou in beide benaderingen natuurlijk niet ver uit elkaar moeten liggen! Misschien is het zinvol hier nog eens met ons vieren over door te praten, maar dan face to face? Hartelijke groet, ook namens Jan en Willemijn, Marianne

xMet het invullen van dit formulier geef je Toets en relaties toestemming om je informatie toe te sturen over zijn producten, dienstverlening en gerelateerde zaken. Akkoord

Copyright 2017 Aeneas Media

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren