Inlog auteurs
inloggen bij Toets
Hulp bij wachtwoord
Geen account?
word lid
Home / Artikelen

Hulpmiddelen op de weg naar een circulaire economie

Tom Ludwig - 19 januari 2021

De term 'circulaire economie' is niet meer weg te denken. In steeds meer beleidsplannen en projecten is er aandacht voor dit onderwerp. Mooi, maar hoe geef je concreet handen en voeten aan die ambities? En welke rol kan milieueffectrapportage spelen?

De afgelopen jaren is de aandacht voor circulaire economie (CE) in een stroomversnelling gekomen. De Commissie m.e.r. spreekt liever over ‘circulariteit’, omdat de focus en het belang niet alleen ligt op de economie. De doelstellingen zijn fors. In 2016 is het Rijksbrede programma Circulaire Economie vastgesteld, met de ambitie om in 2030 vijftig procent minder mineralen, metalen en fossiele grondstoffen te gebruiken. In 2050 wil Nederland een volledig circulaire economie hebben. Deze twee ambities zijn een enorme opgave. Bijna te vergelijken met de nationale klimaatambities. Er is natuurlijk sterke verwevenheid van beiden opgaven. Zo verwacht het kabinet een aanzienlijke CO2-emissiereductie door de ingezette transitie naar een circulaire economie.

Focus op circulariteit niet nieuw

In milieueffectrapportage is aandacht voor de gedachte achter circulariteit niet nieuw. Circulariteit is geen ‘milieueffect’, maar richt zich wel op het voorkomen, verminderen en hergebruik van grondstoffen, materialen, producten en afval. Bijkomend voordeel is dat circulariteit bijdraagt aan leveringszekerheid van grondstoffen op zowel korte als lange termijn. Een milieueffectrapport moet onder andere beschrijven wat voor natuurlijke hulpbronnen worden gebruikt en hoe rekening wordt gehouden met de duurzame beschikbaarheid van deze hulpbronnen. Het inzichtelijk maken van duurzame beschikbaarheid van grondstoffen is ook een onderdeel van gewijzigde Europese m.e.r.-richtlijn, waarin de vereisten staan voor milieueffectrapportage. Belangrijk onderdeel van een milieueffectrapportage is de zoektocht naar alternatieven of maatregelen die een positieve bijdrage hebben voor natuur, milieu en leefomgeving. Daarbij kan ook gekeken worden naar de mogelijkheden om de circulariteitsambities te realiseren. Zo spelen in een milieueffectrapportage voor industrie vragen als: op welke wijze kan warmte uit het proces worden hergebruikt? Worden (potentiële) zeer zorgwekkende stoffen gebruikt en hoe kunnen deze worden geminimaliseerd? Is het mogelijk energie te besparen, hernieuwbare energie te gebruiken of CO2 -emissie af te vangen of te hergebruiken? Deze vragen zijn in verschillende milieueffectrapporten al aan bod gekomen, bijvoorbeeld een voorgenomen uitbreiding van een raffinaderij in de Rotterdamse haven en een afvalverwerker in Hengelo.
In milieueffectrapporten voor gebiedsontwikkelingen en woningbouwplannen komt er eveneens steeds meer aandacht voor circulariteit. De bouwsector denkt na over de mogelijkheden om circulair te ontwerpen en te werken. In de adviezen over de milieueffectrapporten vraagt de Commissie m.e.r. ook aandacht voor deze mogelijkheden. Bijvoorbeeld door alternatieven uit te laten werken die leiden tot een verhoging van de zogeheten milieuprestatie van gebouwen (MPG). Dan kun je denken aan het stellen van eisen aan remontabel bouwen, gebruik van biobased materialen en aandacht voor energiebesparing en -opwekking. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast.
Ook bij gebiedsontwikkelingen met transformatie van gebouwen moet er aandacht zijn voor mogelijkheden van recycling en hergebruik van materialen. Daarbij is het veelal nodig om rekening te houden met extra ruimtebeslag, wat aandacht vraagt in de planvorming. Verschillende ontwerpen en plannen kunnen zo met elkaar worden vergeleken, op hun bijdrage aan CE-ambities maar tegelijkertijd ook op de verschillende omgevingseffecten.

Concreter en meetbaarder

Het Planbureau voor de Leefomgeving adviseerde eind 2019 om de doelstelling voor 2030, halvering van het gebruik van primaire grondstoffen, concreter en meetbaarder te maken. Zo is nog niet bepaald wat het referentie- of basisjaar is, of fossiele brandstoffen onder de doelstelling vallen en in welke hoeveelheden wordt gemeten. Essentiële informatie voor het bepalen of doelen worden gehaald. Daarnaast geeft het Planbureau aan dat het belangrijk is om zicht op input, gebruik, output en waardebehoud te hebben.
Kortom, een goede landelijke monitoring is nodig. Maar ook op lokaal, regionaal of projectniveau kan monitoring behulpzaam zijn. Zo adviseert de Commissie m.e.r. bij nieuwe industriële fabrieken om in het milieueffectrapport een energie-, materialen- en waterbalans op te nemen. Naast goede informatie over optimaliseringsmogelijkheden in het proces, geven de aanvullingen ook monitoringsinformatie over het bereiken van de CE-ambities. Bovendien wordt met deze informatie duidelijk hoe het project zich verhoudt tot andere, gelijksoortige projecten. Daardoor is een benchmark mogelijk en wordt duidelijk of het (nieuwe) project meer óf juist minder circulair is.
Op dit moment zijn veel lokale overheden bezig met omgevingsvisies, één van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. Al het ruimtelijke beleid krijgt een plek in de visie en in het milieueffectrapport. Hoewel veel gemeenten circulariteitsambities hebben, blijft dit onderwerp toch vaak onderbelicht in het milieueffectrapport bij de omgevingsvisie. Terwijl milieueffectrapportage bij uitstek geschikt is om te onderzoeken met welk (ruimtelijk) beleid, maatregelen en randvoorwaarden de ambities te realiseren zijn. Bovendien maakt het duidelijk hoe de ambities zich verhouden tot andere (lokale) ambities (‘waar botst het?’) en wat het effect is op de leefomgeving.

Kaders en tools

Welke tools zijn er om te sturen op circulariteit? Dit verschilt per sector. Een mooi voorbeeld is de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG). Aanvullend maakt de Stichting Bouwkwaliteit handreikingen. Voor de industrie of chemie geven materialen-, grondstoffen-, water- en energiebalansen input voor het vergelijken van alternatieven en varianten. Voor projecten of plannen in sectoren met minder of geen tools is een kwalitatieve beschrijving volgens de circulariteitsladder van Cramer (2014) een optie. Deze ladder geeft inzicht in de invloed van het project op de circulariteitsdoelen en in hoeverre het zich verhoudt tot andere soortgelijke projecten. Vuistregel daarbij is, hoe hoger op de R-ladder hoe meer grondstoffen worden bespaard (zie figuur 1).

Beoordelingskader

Voor veel sectoren zou het zinvol zijn om praktische en handige tools te ontwikkelen, zodat bij plannen en projecten tijdig en goed kan worden onderzocht hoe het nog ‘circulairder’ kan. Zo heeft het Waterschap Vallei en Veluwe recent een beoordelingskader circulariteit opgesteld om de verschillende alternatieven voor dijkversterking te toetsen op de bijdrage aan de eigen circulariteitsdoelen. Tegelijkertijd maakt het kader inzichtelijk wat de effecten zijn op de omgeving. Duidelijk werd dat de meeste winst voor dit project was te halen door te focussen op het gebruik van grondstoffen en materialen voor de dijkversterking en het energiegebruik dat daarmee gepaard gaat. Zo kunnen alternatieven worden vergeleken met een grondstoffen-, materialen- en energiebalans, met oog voor de aard, oorsprong en terugneembaarheid van grondstoffen. Deze aanpak kan, op een praktische manier, bijdragen aan het bereiken van de lokale ambities.
Dit is slechts een voorbeeld. Het is in alle sectoren nodig om blijvend te zoeken naar de juiste hulpmiddelen en tools. Alleen dán komt de ambitie ‘Volledig circulair in 2050’ stap voor stap dichterbij.

Tom Ludwig is werkgroepsecretaris Commissie m.e.r.

Dit artikel verscheen eerder in Tijdschrift Milieu.

Reacties

xMet het invullen van dit formulier geef je Toets en relaties toestemming om je informatie toe te sturen over zijn producten, dienstverlening en gerelateerde zaken. Akkoord
Renda ©2021. All rights reserved.

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren